From 1900 till 1999

2 Collections

Abstract

1900–1960
De stad kent een hoog ruimtelijke concentratie van werken en wonen op een relatief klein oppervlakte (binnen een straat van maximaal drie kwartiers te voet). De schaal van de relatienetwerk van de stad valt samen met de omvang van de stad.

Aantal interacties zijn beperkt. Duidelijk scheiding tussen stad en platteland (agrarisch en niet agrarisch ruimtelijk patroon). Elite woont in het centrum (handel-stad) (nabijheid en veiligheid) en andere bevolkingsgroepen woont aan de randen van de stad op korte afstand van werklocaties (industriële activiteiten).

Weinig differentiatie van het stedelijk patroon. dominantie van het centrum radiaal Verkeersrelaties vanuit de woonwijken naar het centrum. Tegen het einde periode komt de auto op, ritenlengte neemt forse toe (toename van het forensisme).

De positie van Amsterdam ten opzichte van zijn omgeving verzwakt licht. De specifieke werkfunctie van centrumgemeente neemt toe (maar nog geen differentiatie (qua huishoudensamenstelling en qua inkomen)).

Vanaf 1947 strekt de begrenzing van het stedelijk systeem buiten de morfologische stad (de gewestvorming berust op de pendelstromen uit agrarische gebieden naar de groot stad (Amsterdam); De toenemende suburbanisatie en pendel rond Amsterdam). De toenemende welvaart werkt nog niet door in de ruimtelijke structuur. Het volkshuisvestingsbeleid (woningwetwoningen) slaagt er in een aanzienlijke woningproductie op gang te brengen maar bevat nog geen ruimtelijke ordeningsdoelstellingen: woningen worden zoveel in steden en dorpen gebouwd (geen effectieve ruimtelijk beleid van het rijk in die periode). Het industrialisatiebeleid heeft een beperkt effect op regionale niveau (qua industrievestigingen en arbeidplaatsen).

1960—1979
Periode van sterke groeiend welvaart (verschuivingen in huishoudensamenstelling (midden klasse neemt toe), inkomens verschillen tussen bevolkingsgroepen nemen toe) en sterke deconcentratie v.h. wonen (o.a. door opkomst van de auto, toename individuele bestedeningen, gezinnen met midden- en hoger inkomens verplaatsen zich naar de kernen, etc. als resultaat neemt de vraag naar meer ruimte toe). Het gevolg daarvan is een sterke deconcentratie van stedelijke activiteiten en tot stand komen van stadsgewesten.

Tram/trein aanvankelijk nog bepalend, auto-infrastructuur neemt toe in belang (duidelijk verschuiving van trein en tram naar de auto. Spoorwegenstelsel wordt aangepast aan de eisen van de tijd (maar vrijwel niet wordt uitgebreid). Later ontwikkeling van snelwegennetwerk. Het forensisme neemt zeer sterk toe (verdere vergroting van ritlengten).

Door toenemende specialisatie en schaalvergroting van het stedelijk milieu (eerste wonen, later ook werkfuncties) ontstaan functionele relaties tussen stadscentrum en omliggende kernen (opvangkernen). Morfologische gezien raken steeds meer grote stukken landelijk gebieden ingesloten tussen stedelijke bebouwing en kerngemeenten.

Er ontstaan meerder centra in het stadsgewest en daarmee ondergaat de ruimtelijk-functionele structuur van het stadsgewest een belangrijk verandering: hij wordt polycentrisch. De verschillende centra trekken ieder hun eigen werknemers en gebruikers aan (ontwikkelen eigen agglomeratievoordelen). Dat verandert de verplaatsingpatroon (woon- werk relaties en pendel stromen) en leidt tot een toenemende concurrentie tussen de verschillende centra. Dit leidt op den duur tot specialisatie en complementariteit tussen centra (dwz. Symmetrie tussen functiespecialisatie en integratie in een stedelijk netwerk).

Uitvoering van het groeikernenbeleid uit de tweede en Derde Nota RO (tweede nota gedeeltelijk geslaagd o.a. door gebrekkig centraal sturing (door mismatch tussen bevolking en werkgelegenheid en de verschillen in de ontwikkeling van gemeenten die eigen karakteristiek ontwikkelen)).

Ruimtegebruik voor stedelijke doeleinden blijft toenemen en de dichtheiden worden steeds lager. steeds meer grotere delen landelijk gebied gaan onderdeel uitmaken van stedelijk veld. Het morfologisch onderscheid tussen stad en platteland is vrijwel verdwijnen in het westen (m.n. rond Amsterdam).
Middelgrote centra versterken hun positie verder als werkcentra/werkgemeenten ten kosten van de hoofdcentra. De hiërarchie neemt wel af, maar blijft zichtbaar nog wel aanwijzig.

De vervoermobiliteit neemt sterke toe (Snelwegen worden verder uitgebouwd en nieuwe snelwegen aangelegd/uitgebreid). De dominantie van de auto neemt toe. Ritlengte neemt verder toe. De forensenstromen gericht op Amsterdam nemen sterk toe, evenals op sommige middelgrote centra.

Begrenzing van stedelijk systeem wordt vrijwel verdwijnen (geen duidelijk grens). Er is spraak van een geschakelde patroon van invloedsgebieden waarbij de overgangen zo diffuus zijn dat het niet goed mogelijk grenzen van de afzonderlijke centra aan te geven.

Vanaf 1983 wordt het ‘compact stad’ beleid toegepast. In het kader van dit beleid, vervullen de centra van centrumgemeenten een meer specifieke werkfunctie. Omvangrijke inspanningen op het gebied van de stadsvernieuwing en de herstructureringsprojecten (afremmen van de verpaupering en vergroten van de attractie van de centrumgemeenten).